Artikel 1 van de Grondwet discrimineert

Onderstaand het op 9 november 2017 gedane verzoek aan het College voor de Rechten van de Mens zich uit te spreken over discriminatie in de Grondwet, als voorbeeld Artikel 1.


Geacht college,

Bij deze richten wij ons tot u omdat wij, het Atheïstisch Verbond – een vereniging die de belangen van onze leden behartigt, maar evenzo die van atheïsten in het algemeen, alsook de belangen die het atheïstische gedachtengoed betreffen – discriminatie ervaren vanwege dat de in de Grondwet gehanteerde formuleringen ‘levensovertuiging’ en ‘godsdienst’ tezamen worden genoemd.

Ter verduidelijking hierbij Artikel 1, deze luidt als volgt: Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Dit artikel wordt ook wel het anti-discriminatieartikel genoemd. Echter, vreemd genoeg en vast niet zo bedoeld, discrimineert dit artikel in zichzelf.
Want in de daarin genoemde opsomming staan zowel de benoeming ‘godsdienst’ als ‘levensovertuiging’ genoteerd. Godsdienst staat daar evenwel onnodig genoemd want godsdienst betreft een levensovertuiging, gelijk atheïsme een levensovertuiging is.
Door godsdienst naast levensovertuiging apart te noemen wordt godsdienst extra aandacht gegund. Met die onnodige aandacht worden andere levensovertuigingen zoals atheïsme ten achtergesteld. En dat achterstellen is een vorm van discriminatie.

Als atheïsten voelen wij ons door de in de Grondwet onnodig toegevoegde term ‘godsdienst’ ten achtergesteld en daardoor gediscrimineerd. Bij deze melden wij u deze door ons niet gewenste discriminatie.
Wij stellen dat de achterstelling c.q. discriminatie in de teksten kan worden opgeheven door het woord godsdienst daarin weg te laten en enkel de term ‘levensovertuiging’ te bezigen. De vlag ‘levensovertuiging’ dekt de volledige lading.
Wij wensen dat genoemde tekstuele aanpassing wordt doorgevoerd.

Wij verzoeken u bij deze met betrekking tot onze constatering, onze beleving en onze wens tot aanpassing van de teksten van de Grondwet een uitspraak te doen.
Indien uw oordeel overeenkomt met ons standpunt verzoeken wij u tevens, indien dit tot uw taak behoort, zich tot die adressen te richten die verantwoordelijk zijn voor aanpassing van de Grondwet met het verzoek aan hen de betreffende teksten aan te passen.