Laten wij atheïsten het eens rechtens omdraaien

Laten wij atheïsten het eens rechtens omdraaien.

Het geloof benoemt zijn aanhangers als gelovigen, deïsten of theïsten. Wie niet gelovig, is, moet zich betitelen met een ontkenning of tegenstelling. Dat wordt dus ongelovige, atheïst of soms antitheïst. Menig godsvrije heeft daar moeite mee. Waarom zou je jezelf identiteit moeten geven met een woord dat gaat over een begrip dat een wezen aangeeft, dat in jou ogen helemaal niet bestaat? Je zet je dan af tegen iets dat niet bestaat en dus niet eens iets is, anders dan een illusie, een loze voorstelling. Dat is op zich al dwaas. Het krijgt de connotatie van tegen geloof te zijn,

hetgeen weer niet overeenkomt met de werkelijke houding. Het klinkt ook als een voortdurende afzetting tegen godsdienst als zodanig. Ook dat doet de werkelijkheid geweld aan.
Vrijdenkers ontdoen zich met deze betiteling hiervan, maar voor wie met dit woord onbekend is, zal vragen ‘vrij waarvan of vrij waarin.’ En dan moeten zij toch weer terugvallen op die andere duidingen met hun bezwaren. En zitten we weer in de eerste alinea.

Er schuilt een volgordelijk gegeven in deze situatie. Wat nu als we de hele zaak eens omdraaien en in de goede volgorde neerzetten. Stel er waren aanvankelijk mensen die helemaal geen godsdienst van welke aard ook kenden? Hoe zouden we die dan onder één woord verzamelen en aanduiden?
En wat zouden dan de titels moeten zijn waaronder de latere godenaanhangers zich in deze tijd kenbaar en onderscheidbaar zouden dienen te maken.
Als die oertitel ‘mensen’ zou zijn, worden godskinderen onmensen of a-mensen. Maar mensen is een verzamelnaam voor alle levende wezens van onze soort.
Wordt het dan de ongebondenen van toen tegenover de gebondenen van nu? De vrijen tegenover onvrijen? Als die vrijen eerst waren kunnen zij nooit goddelozen worden genoemd. Er was vóór hen immers geen god.

Het is mijn mening, dat de eerste mensachtigen helemaal geen geloof hadden, zoals we dit nu kennen. Toen men zich meer van de omgeving en de natuurkrachten bewust werd, ontstond het animisme. Men zag in wateren, onweer en bliksem, de zon en sterren of vulkanen onverklaarbare natuurkrachten en daarmee vreemde en hogere machten. We zouden deze mensen in die tijd naturalisten of naturellen kunnen noemen en de latere godsdienstigen zouden dan a-naturalisten als onderscheidenlijke term hebben moeten kiezen of onnatuurlijken. Naturisten kan ook, maar dat woord heeft een andere betekenis gekregen en die verwarring is onhandig.

De benaming is zo bezien een kwestie van tijd en volgorde. Het doet recht aan de geschiedenis uit te gaan van de begintoestand en identiteit. Ik voel wel wat voor naturel. Het dwingt de gelovige te antwoorden op de vraag wat gelovige inhoudt ten opzichte van de oorspronkelijke tot aan nu levende naturellen dat hij of zij onnaturel is.