Tien argumenten waarom Gods bestaan onlogisch is

Waarom Gods bestaan onlogisch is: tien argumenten.

1. Onmiskenbaar vindt er op de wereld veel ellende plaats. Niet alleen door oorlogen en onderlinge strijd, maar ook door alledaagse zaken zoals een dodelijke ziekte, een verkeersongeluk of een natuurramp. God almachtig, alwetend en alziend te noemen veronderstelt dat Hij zijn schepsels en schepping kan vrijwaren van deze pijnlijke kanten van het leven. Niets is minder waar. Hij houdt zijn handen vrij.
Aankomen met een soort hemels Kwaad dat mensen zelf zouden veroorzaken, doet niets af aan het feit, dat het gebeurt en dit leidt onherroepelijk tot de vragen waarom Hij mensen heeft geschapen die zichzelf en anderen van alles aan doen dan wel waarom Hij dat kwaad op zichzelf heeft geschapen.
Die zelfschuldigheid gaat bovendien heel vaak niet op. Niet voor natuurrampen en niet voor de lijdensweg door kanker of andere letale ziektes. Elk weldenkend mens kan dit ervaren en beredeneren. Ook dat is allemaal ingebouwd in die schepping.

2. Beweren dat ondanks deze ellende de goed levende en devote mens een beloning wacht in de hemel wordt niet erg gesteund door waarneembare feiten. Wie zijn doden verbrandt heeft slechts as. Het lichaam is niet meer. Wie zijn doden begraaft, treft zelfs na eeuwen nog skeletten en fossiel vlees aan. Wie loopt er dan in de hemel rond en hoe? Die opgestegen dode aanduiden als ziel of geest is nog nooit door mensen waargenomen. Bij leven en welzijn vindt geen anatoom-patholoog ook maar een spoor van zoiets als een ziel of een geest. Dat God mij uit de dood laat opstaan is toch een vreemde omweg: geef mij gewoon een enkeltje hemel vanaf mijn geboorte. Of sla dat miserabele aardse leven over en plaats elk mens in een kwaadloze hemel.

3. Het is ook niet logisch dat een deel van de gelovigen vindt dat ongelovigen of atheïsten maar moeten bewijzen dat er geen God is. Allereerst kan nooit worden bewezen dat iets NIET bestaat. Dit is een volstrekt onzinnige eis. Maar daar komt vervolgens nog bij dat hoe dan ook een deel van Gods schepping toch maar zo belijdend atheïstisch denkt en handelt. Zijn zij dan onvolledige mensen, aan wie iets ontbreekt?

4. De wereld telt enige duizenden geloofssoorten en –vormen. Menig geloof kent een pandemonium van goden en halfgoden. In het Oude testament wordt van al die vormen niet gerept, slechts van enkele omgevingsstammen. Hoe kan het dat, als alle mensen in beginsel gelijk zijn geschapen, lang niet alle gelovigen monotheïst zijn? Bovendien vechten die monotheïsten elkaar al eeuwen de tent uit met alle gruwelijkheden van dien onderweg, bewerend dat die ander niet in de ware God gelooft, waarbij God zelf aangeeft dat die andere goden er wel zijn! Logisch raar: men kent God niet, maar Hij is wel de ware en erkent het bestaan van andere goden, die moeten worden afgezworen. Die kwalificatie van de ware betreft het ongekende! En passant kan worden opgemerkt, dat het monotheïsme niet van stond af aan als geloofsrealiteit werd beleden. Nog sterker is de onlogica voor wie bedenkt, dat voordat religie in de godsbetekenis ontstond er helemaal geen geloof was, dus teruggaand naar de tijd van voor het animisme. Waarom kwam het geloof pas zo laat in zwang of tot de huidige vormen? En is het niet verwonderlijk, dat deze opkomst gelijktijdig een verschijnsel werd toen de mens zich meer en meer kon afvragen (ontwikkeling van de hersenen) hoe alles toch in elkaar zat met als sterkste fenomeen de waarom-vraag. De vraag naar zingeving is geen plant of dier gegeven, maar komt op bij de mens met de toenemende denkkracht en de bijbehorende reflectie, het vermogen tot herdenken.

5. De zondigheid van de mens is de straf die de mensheid kreeg opgelegd en erfde wegens de ongehoorzaamheid van Eva. Aanvankelijk voor eeuwig en altijd. Erg genadevol klinkt dit niet. Er is een kruisdood van Gods zoon voor nodig om die zonde af te wassen. Alsof veel bewust veroorzaakte rampspoed niet opnieuw tot zonde heeft geleid, maar nu van de individuele daders. Wie biecht en om vergeving vraagt, wordt de zonde vergeven. Kom op zeg. Het eten van een verboden vrucht levert eeuwig zonde op? Beëindiging hiervan kost Gods zoon het leven als offer en veel groter kwaad kan later worden weggebiecht en door het opzeggen van enige gebedjes. Er zit alweer geen logica in deze verlichting van de strafmaat. En mensen, die helemaal geen kwaad doen maar wel ongelovig zijn, wacht eeuwig de hel. Ook als ze ergens opgroeiden waar helemaal geen God aan de orde was? Kom er maar uit met je gezonde verstand. Sportief lijkt het in ieder geval niet. Redelijk al helemaal niet.

6. Voor elke maaltijd wordt er gebeden om te danken voor deze dag en het voedsel. Hallo, wat had God dan gewild? Geen dag te leven? Niks te eten? Hij hoeft het toch niet eindeloos te horen. En toch zeker niet van mensen en kinderen die daadwerkelijk sterven van de honger elke dag.

7. Je mag van een genadevolle en almachtige God verwachten dat Hij alle mensen gelijk behandelt. Waarom sterft dan de ene mens al in het kraambed, in zijn puberteit of in de kracht van zijn leven, terwijl de ander 80 jaren of ouder wordt? En menigmaal gaat de goede eerder dan de boosaardige. De verklaring dat Gods wegen en intenties ondoorgrondelijk zijn is ridicuul. Daar heeft de betreffende persoon, die vroeg sterft, dus geen ene mallemoer aan. Op een alleszins voor de hand liggende vraag over minstens gelijke behandeling krijgt de gelovige dus nooit antwoord. Erg klantvriendelijk is God derhalve niet. Als de hemel lonkt, zou je verder verwachten dat gelovigen bidden om vroeg te mogen sterven, maar daar hoor ik niet veel van.
Ook vromen willen het liefst zo oud mogelijk worden. Je hebt ook nog een categorie die zichzelf opoffert om zo als martelaar al vroeg in het paradijs te komen. Let wel, door anderen, onder wie ook gelovigen en onschuldigen en zij die zonder zonden zijn, de dood in te jagen. Kunt u het nog volgen? Ik niet.

8. Noch in het Oude Testament, noch in het Nieuwe is er enige verwijzing naar een wereld die groter is dan het toenmalige Palestina en een actieradius van enige honderden kilometers. Over Europa, IJsland, Groenland, de Amerika’s, heel Azië en Australië, Afrika en grote delen van Arabië geen woord. Evenmin nauwelijks over andere volkeren ver weg van de Levant. Het lijkt er sterk op, dat Gods rijk niet veel groter is dan het gebied waar de Semitische stam, die Hij onder zijn hoede nam, leefde dan wel doorheen trok. Of we moeten constateren, dat de schrijvers niet verder konden zien, hetgeen min of meer op hetzelfde neerkomt, maar tegelijk aangeeft dat zij Gods beperking ook niet konden bekritiseren of ontdekken. Ze wisten niet beter. Je mag toch van de Schepper des Alles een grotere kijk verwachten.

9. In het begin was God ergens in de hemel. Daar was ook het paradijs. Enige concrete invulling van die droomplek wordt niet gegeven anders dan vrede, veel groen, helder water, vruchten, voldoende ander eten en een duurzame gelukzaligheid. Van zeeën en bergen valt niet veel te lezen. Evenmin van de dierenwereld met als tweezijdige inhoud voortplanten en eten of gegeten worden. Toen de mensheid verder kon kijken dan de wolken, ontstond de concrete realiteit van het heelal met een ruim 14 miljard jarige ouderdom en een uitgestrektheid die zich zelf onttrekt aan de bereikbaarheid van het licht door een expansie die nog sneller gaat en een onderlinge distantie die inmiddels al onoverbrugbaar lijkt. Vanaf die vaststelling werd het lastiger om de hemel een plaats te geven. Op zich ruimte zat, maar God zelf werd nu buiten dat heelal geplaatst. Geen mens die zich daar een voorstelling van kan maken. God buiten het ruimte-tijdcontinuüm? Met de kans dat ook die hemel zich in zijn nabijheid bevindt, dus buiten het heelal. In voor de mensheid geldende natuurlijke termen en maten is dat buitengebied geheel en al onbereikbaar, tenzij voor de goddelijke almacht diens zelf geschapen kenmerken van het heelal niet opgaan.

10. Hoe dan ook is de huidige mens met al zijn denkmogelijkheden en waarnemingsvermogen, ook met behulp van allerhande apparaten en vliegende machines, een kind van de schepping. Tot zijn momentane kennis behoort ook de rationaliteit en de logica. We moeten constateren dat veel geloofszaken en –invullingen zich niet verhouden tot die stand van zaken, die wij met ons brein hebben kunnen nagaan, ontdekken en vooralsnog bevestigd weten. Zeggen dat God daarboven uitgaat en onkenbaar is, is zeggen dat je niets van Hem kunt kennen. Hou dan je mond, anders ben je gelijk al niet geloofwaardig. Gelovigen praten dus in het luchtledige. In duizend-en-één momenten volgen zij paradoxaal genoeg zelf automatisch de logica dan wel de praktische rationaliteit. Laat de bus maar voorgaan, die is zwaarder en sterker dan jouw lijf. Men neemt een taxi als de tram harder wegrijdt dan men kan lopen, terwijl men ergens heel graag op tijd wil zijn. Het is logischer te vliegen dan te zwemmen als je een oceaan over moet en maar een dag hebt. Het is logischer om iets dat nog door niemand is waargenomen vooralsnog niet te rekenen tot een onderwerp waarover je wat met enige zekerheid iets kunt zeggen. Gelovigen hebben het dus over iets dat niet geweten kan worden. Hallo, hallo: niet geweten kan worden! Over iets dat ik niet weet, hou ik doorgaans mijn mond. Dat is logisch. Gelovigen zeggen: het geloof komt na het weten. Vreemd, je kunt alles geloven, maar niet alles weten. Nee, het is totaal omgekeerd. Stel, u en ik komen in de hemel. Dan blijkt dat er daar geen geloof is. Volstrekt logisch, je weet door daar te zijn dat er een hemel is en het geloof dus waar was. Zie je dat het geloof vraagt om weten als bewijs. Weten komt na geloven. Dat er wetenschappers zijn die tevens gelovig zijn geeft aan dat zij in de grond van de zaak daarmee te kennen geven het niet te weten.

Afhechting
Ooit leefden er mensen, de homo sapiens in wording, die geen geloof hadden. Zij waren geen theïsten of atheïsten. Zij waren naturellen met een vergeleken bij nu kleinere denk- en kenniswereld.  Ik heb nooit enige behoefte gehad anders te zijn dan die natuurmensen op weg naar onze status van denkmensen als het gaat om het bestaan van zoiets als een god. Waarom zou ik? Het antwoord op de waarom-vraag naar zingeving en de reden tot existentie geeft Hij immers ook niet. Als er een hemel zou moeten zijn, zegt mijn logica ‘beste hoogmogende, was daar dan direct mee begonnen, dat had een hoop ellende gescheeld.’ Maar naarmate ik moet vaststellen, dat ik meer weet dan die naturellen van onze aarde en alles daarop en daaromheen en daar een logische gedachtegang op los kan laten, word ik meer naturel. Voor hen was die aarde een bron van schoonheid en gevaar, waar de mens somtijds genietingen gewaar kon worden en waarvan nog veel te weten viel. Ik ben een stap verder op die kennisweg. De Bijbelse metafoor gebruikend eet ik nog steeds van de Boom der Kennis van goed en kwaad. Ik voel mij niet zondig. Integendeel. Voor mij is die kennisweg een antwoord op die zingevingsvraag. Waarom leef ik? Blijkbaar om te kunnen doen wat ik doe en te kunnen ontdekken wat het leven inhoudt en welke kennis daarbij komt kijken, althans in die episode dat ik leef. Het is net als met het heelal, maar dan wel in het klein: met mijn geboorteknal startte mijn tijd en ik probeer zover mogelijk te komen op de Weg der Kennis als het mij lukt. Is dat leven of die eindeloze kennismarathon een doel? Zo kan ik het beschouwen. Ik weet één ding, ik kan mij geen ander doel indenken. Wat er te weten valt, kan worden gekend. Kennis vertegenwoordigt een onmetelijk groot doel en dat kennisheelal expandeert nog elke dag. Ik realiseer mij, dat die expansie minstens zo snel gaat als het licht. Zelf ben ik daar in zekere zin het resultaat van, opgebouwd uit zwaardere elementen van stervende sterren. Als ik sterf keren die zwaardere elementen als lichtere elementen terug naar de bron waaruit zij voortkwamen. Niet uit ‘as zijt gij geboren, tot as zal gij terugkeren.’ Juist niet. Uit zonne-energie, die lichtbron, ben ik geboren en tot zwarte energie zal ik terugkeren. Die kennis heb ik alvast opgedaan vergeleken met die naturellen van vroeger.