Het ‘ongeloof’ van de atheïst

De atheïst gelooft niet in het bestaan van een god. Zo ook niet in het bestaan van een bovennatuurlijk ‘iets’ en dus al helemaal niet in ‘iets’ dat aanbeden zou moeten worden. De atheïst aanbidt niets. Zo is het voor de atheïst ook duidelijk dat de mens en alles op aarde niet is geschapen, maar is ontstaan door evolutie. Ook duidelijk is dat het leven samenvalt met het fysieke bestaan; het zet zich dus niet voort na overlijden en was er ook niet al voor de geboorte.

 Volgens onderzoek (Sociaal Cultureel Planbureau, ISSP ‘91-‘98) zal vandaag de dag ca. 65 % van de Nederlandse bevolking niet kerkelijk zijn. Daarbij noemt ca. 20 % zich atheïst. De overblijvende ca. 45 % niet-religieuzen zijn zeer verdeeld in hun beleving van een ‘iets’.

De circa 35 % van de bevolking die zich kerkelijk noemt is overigens sterk verdeeld in de keus van een geloofsrichting. De bestaande godsdiensten zijn namelijk zeer verschillend in de beleving van het godsgeloof en wat daar aan gekoppeld wordt. Daarbij bestaan binnen geloofsrichtingen ook nog eens verschillende stromingen. Er zijn er zelfs die zo van elkaar verschillen dat ze zich volledig van elkaar distantiëren. Ook doet het zich voor dat aanhangers van de ene kerk/religie de andere bestrijden. Het elkaar bestrijden vindt zelfs plaats tussen stromingen binnen eenzelfde kerk/religie.

Het doet zich voor dat onder de gelovigen steeds meer mensen niet geloven in of sterk twijfelen aan het bestaan van een god(-van-de-bijbel). Zelfs onder dominees doet zich die twijfel voor.

De (recente) geschiedenis leert voorts dat kerken en hun leden in de loop van de tijd anders zijn gaan omgaan met religieuze wetten, regels en geboden. ‘God’ en de godsgeschriften blijken een grillig iets te zijn, want zij blijken in de loop van de tijd op verschillende wijze te zijn uitgelegd. Om dit uit te leggen zijn de vreemdste redeneringen gevolgd. Er kan dan ook duidelijk gesteld worden dat ‘religie’ voor de objectieve beschouwer heel ondoorzichtig is.

Het atheïsme is echter helder en consequent in de beleving van het bestaan: een god bestaat niet, zo ook niet een ‘iets’. We moeten het doen met de mens zoals die is, goed en slecht. Atheïsme stelt ook niet dat ‘de atheïst’ als mens per definitie beter is dan de ‘gelovige’; slechter is de atheïst in ieder geval zeker niet. De mens gedraagt zich zoals hij doet en de natuur doet de rest. Na overlijden is geen volgend leven, zo ook geen leven vóór de geboorte. Zo simpel is het.